Strabisme

Oorzaken, vormen en behandeling

De medische term voor scheelzien is strabisme. Daarbij gaat het om een afwijkende stand van de ogen ten opzichte van elkaar. Er zijn allerlei vormen. In Midden-Europa heeft ongeveer drie tot vijf procent van de mensen ermee te maken. De oorzaken van de ziekte blijken net zo veelzijdig te zijn als de verschillende vormen. Waaruit deze bestaan, welke symptomen de getroffen personen kunnen verwachten en welke mogelijkheden voor een behandeling er zijn, wordt hieronder nader toegelicht.

Definitie en vormen van strabisme

Iemand loenst als de ogen een verschillende kijkrichting hebben. Het loensende oog staat daarbij niet parallel aan de kijkas van het andere oog. Dit betekent dat de visuele waarnemingen van beide ogen niet kunnen samensmelten tot één beeld. Het ruimtelijk zicht is verstoord. Afhankelijk van de richting van de afwijking wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen naar buiten gericht scheelzien, in vakjargon strabismus divergens (of exotropie) genoemd, en naar binnen gericht of inwaarts scheelzien, ofwel strabismus convergens (of esotropie). Een afwijking in de hoogte van het oog wordt verticaal scheelzien (strabismus verticalis) genoemd.

In de medische wereld wordt echter niet alleen de kijkrichting bepaald, maar wordt ook onderscheid gemaakt op basis van de betreffende kenmerken. Bij een tijdelijk optreden, spreekt men van heteroforie. Een dergelijk latent of verborgen scheelzien komt erg vaak voor en is normaal als het zonder symptomen optreedt. Deze vorm verschijnt onder andere als gevolg van overmatige belasting van de ogen, bijvoorbeeld bij grote vermoeidheid, in stressvolle situaties of na alcoholgebruik. In dat geval kunnen de hersenen de afwijkende stand meestal zelf corrigeren. Tien procent van de betrokken personen heeft daarentegen te maken met de negatieve nevenverschijnselen van heteroforie. Dit zijn onder andere hoofdpijn, verhoogde gevoeligheid voor licht, tranende ogen, oogpijn en/of branderige ogen, vermoeidheid bij het kijken en dubbel zicht.

Bij een manifeste scheelstand (heterotropie) blijft de afwijkende stand blijvend bestaan. Hieronder valt bijvoorbeeld het begeleidend scheelzien (strabismus concomitans) dat vaak voorkomt in de vroege kinderjaren. Het doet zich voor in de eerste levensjaren, maar kan ook aangeboren zijn. Een bijzonder geniepige vorm van manifest scheelzien is microstrabisme, waarbij de scheelzienshoek zo klein is dat deze meestal niet opvalt en onopgemerkt blijft, maar ook kan leiden tot blijvende gezichtszwakte. Het zogenaamde normosensorische late-onset scheelzien treedt iets later op (vanaf ongeveer het 3e levensjaar) en ontstaat plotseling. Een andere manifeste vorm is scheelzien door verlamming (strabismus paralyticus). Dit treedt ook plotseling op en treft zowel kinderen als volwassenen. Hierbij zijn een of meerdere oogspieren door verlamming aangetast.

Mogelijke symptomen bij strabisme

Naast een zichtbaar opvallende, afwijkende oogstand kan scheelzien ook heel geregeld onopvallend zijn (bijv. bij microstrabisme). Andere klachten die verband houden met scheelzien zijn onder andere dubbele beelden, concentratieproblemen, branderige ogen, hoofdpijn, problemen met lezen en een verhoogd knijpen en knipperen met de ogen. Tevens kan het leiden tot een scheefstand van het hoofd en een verhoogde gevoeligheid voor licht. Ook kan onhandig gedrag worden waargenomen. Zo kan bijvoorbeeld naast een voorwerp worden gegrepen dat men wil pakken. Afhankelijk van het soort scheelzien staan verschillende van de bovengenoemde symptomen op de voorgrond.

Bij begeleidend scheelzien (Strabismus concomitans) kan verziendheid de oorzaak zijn en dientengevolge ook als symptoom worden beschouwd. Bij spontaan scheelzien door verlamming treden naast de plots optredende dubbele beelden en de scheefstand van het hoofd ook misselijkheid en duizeligheid op.

Het fenomeen scheelzien - mogelijke oorzaken

Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor de individuele vormen van strabisme. Vaak zijn er visuele defecten. Zo kan bijvoorbeeld een brekingsfout, vooral als verziendheid, maar ook een uitgesproken bijziendheid of een verkromming van het hoornvlies de oorzaak zijn. In de meeste gevallen kan een bril dit soort van zichtafwijkingen corrigeren. Deze zorgt ervoor dat de weergegeven beelden op het netvlies een duidelijke beeldkwaliteit hebben. Daardoor kan onder bepaalde omstandigheden worden voorkomen dat scheelzien optreedt.

Aangezien scheelzien vaak binnen een familie voorkomt, kunnen ook genetische factoren niet worden uitgesloten. Bij latent scheelzien kan overmatige belasting van de ogen onder stress, na alcoholgebruik en als gevolg van oververmoeidheid (bijv. door ononderbroken werken aan de computer) tot subjectieve stoornissen leiden. Scheelzien door verlamming kan zijn oorzaken hebben in geboortegerelateerde letsels, ontstekingen, tumoren van de oogkas of van de hersenen, maar ook in algemene aandoeningen (bijv. doorbloedingsstoornissen en spierziekten) die leiden tot verlamming van de buitenste oogspieren. Juist wanneer scheelzien plotseling optreedt, moet snel een orthoptisch onderzoek of onderzoek door de oogarts worden uitgevoerd, waardoor ook neurologische oorzaken kunnen worden uitgesloten.

Diagnose van strabisme

Om strabisme vast te stellen, hebben de oogarts en getrainde specialisten zoals een orthoptist vaak aan één blik genoeg. Als de ziekte echter niet zichtbaar is door de kenmerkende afwijkende stand van de ogen die ook voor de leek herkenbaar is, kunnen de reeds genoemde nevenverschijnselen daarop wijzen. In de regel worden er talloze onderzoeken uitgevoerd bij de betrokkenen om scheelzien uit te sluiten of aan te tonen. Het onderzoek richt zich vooral op de zogenaamde afdektest (covertest) en een controle van de beweeglijkheid van het oog (motiliteit). Bij de afdektest wordt één oog afgedekt en wordt het reactie- of fixatiegedrag van het open oog geobserveerd. Als het oog probeert zich in te stellen op het aangeboden fixatieobject, wordt hiermee het scheelzien bevestigd, omdat het oog afwijkt van de gemeenschappelijke kijkrichting.

Het eerste vermoeden of de eerste diagnose bij kinderen wordt vaak gesteld in verband met de preventieve onderzoeken U1 t/m U9 door de kinderarts. Het is dan ook van groot belang om deze uit te voeren, zodat de kinderarts in een ernstige situatie ter behandeling een verwijzing naar een oogarts kan voorstellen om verergering te voorkomen. Want wanneer de afwijkende stand niet wordt opgemerkt, kan dat leiden tot slechtziendheid (amblyopie) waarbij het anatomisch overigens gezonde oog een verminderde gezichtsscherpte heeft. Daarnaast wordt een onderzoek door de oogarts of een orthoptische kliniek aanbevolen.

Preventie en behandelmogelijkheden

Vroegtijdige herkenning van een afwijkende stand van de ogen voorkomt dikwijls levenslange klachten. Er zijn talloze behandelmogelijkheden. Zo kan bijvoorbeeld een bril worden voorgeschreven om een bijkomende zichtafwijking en de scheelzienshoek te corrigeren en een daaruit voortvloeiende gezichtszwakte te behandelen of de ontwikkeling ervan te voorkomen. Daarnaast is bijvoorbeeld een incidentele fusietraining bedoeld om bij kinderen of volwassenen een betere samenwerking tussen beide ogen tot stand te brengen. In het kader van een zogenaamde occlusietherapie wordt het gezonde oog met een pleister (bijv. ORTOPAD®-oogpleisters) afgeplakt. Op die manier wordt het zwakkere, loensende oog getraind. Juist bij kinderen blijkt dat occlusietherapie uiterst succesvol is. Bij volwassenen wordt deze therapie toegepast om storende dubbele beelden te vermijden die door het scheelzien zijn ontstaan. Als de conservatieve therapeutische maatregelen niet leiden tot een verbetering van het dubbelzijdig zicht, bijvoorbeeld als de scheelzienshoek erg groot is, kan scheelzien ook worden gecorrigeerd door een operatieve ingreep. In dat geval worden de oogspieren ingekort of verplaatst, zodat de ogen een parallelle stand krijgen. Een operatie kan daarnaast ook om cosmetische redenen worden overwogen.

Scheelzien - vooral bij kinderen, kleuters en ook baby's - moet beslist niet lichtvaardig worden opgevat. Vroegtijdige diagnose en therapie kunnen voorkomen dat strabisme leidt tot een verminderd gezichtsvermogen dat slechts moeilijk te behandelen is. Hoewel er geen maatregelen zijn om strabisme of scheelzien direct te voorkomen, kunnen de negatieve effecten ervan worden voorkomen of aanzienlijk worden verminderd door tijdig te reageren en te handelen. Blijvende visuele beperkingen kunnen zo worden tegengegaan of zelfs voorkomen.